Logo Universiteit Utrecht

Utrecht Religie Forum

Blogs en video's

Bekering; wat betekent dat eigenlijk?

Door Maryse Kruithof.
Bekeren wordt vaak omschreven als een radicale persoonlijke verandering door de overgang naar een bepaald geloof. Deze definitie blijkt echter nogal simplistisch en vooral gebonden aan een westerse, christelijke context. Uit mijn onderzoek naar de zending in het negentiende-eeuwse Java (dat destijds onderdeel was van Nederlands Indië) blijkt dat de Nederlandse zendelingen vaak een ander idee hadden van hoe een bekering zou moeten verlopen dan dat de Javanen dat voor ogen hadden.

Ten eerste beschouwden de zendelingen een diep geloof in Jezus Christus als de Verlosser de enige aanvaardbare reden voor een bekering tot het christendom, maar ze kwamen regelmatig in aanraking met mensen die zich vanwege andere zaken aangetrokken voelden tot het christelijk geloof. In werkelijkheid bleek men zich op grond van zeer uiteenlopende beweegredenen te bekeren en niet zelden stonden deze redenen los van een individuele religieuze overtuiging. Voorkomende motieven waren bijvoorbeeld ook dat men dacht dat lid worden van de kerk voor een sterker sociaal netwerk of voor financiële zekerheid zou kunnen zorgen. Na het analyseren van verschillende bekeringsverhalen uit die tijd kan ik concluderen dat de motieven vrijwel altijd uit zowel emotionele, als meer pragmatische aspecten bestond. De zendelingen wisten echter niet zo goed hoe ze hier mee om moesten gaan. Eigenlijk vonden ze bekeerlingen die er pragmatische motieven op na hielden geen ‘echte’ christenen, maar tegelijkertijd waren ze blij met ieder nieuw lid van de kerk en hoopten ze dat men vanzelf wel ‘betere’ christenen zou worden.

Ten tweede beschreven de zendelingen het bekeringsproces veelal als een plotselinge, snelle en complete omslag in iemands persoonlijke religieuze leven. Bekering werd vaak voorgesteld als het resultaat van Gods genade; als iets dat iemand overkomt en de bekeerling eigenlijk geen keuze laat. Maar bekeren bleek lang niet altijd een individuele keuze, soms gingen hele dorpen over tot het nieuwe geloof. Bovendien was er zelden sprake van een plotselinge, snelle en complete omslag. De zendelingen veronderstelden bekering tot het christendom als een totale breuk met het verleden en benadrukten keer op keer dat tijdens de doop een bekeerling wordt ‘herboren’. De herboren christen diende vervolgens voormalige religieuze overtuigingen en rituelen achter zich te laten en behalve een nieuw geloof ook een geheel nieuwe levensstijl aan te nemen. Deze stugge houding van de zendelingen verklaart voor een groot deel waarom de meerderheid van de Javaanse bevolking niets voelde voor bekering. Ze wilden namelijk helemaal niet al hun tradities, feesten of soms zelfs hun kleding- of haarstijl opgeven.

De zendelingen stonden dus niet alleen voor de taak mensen te bekeren, maar ook om degenen die bekeerd waren een nieuwe christelijke levensstijl aan te leren. Ze moesten constant bepalen welke gebruiken wel of niet acceptabel waren binnen een christelijke gemeenschap. Het bleek echter heel lastig om precies aan te geven wat wel en wat niet bij het christendom hoort. En het bleek dus ook lastig te bepalen wanneer iemand nou echt bekeerd was. Religies zijn namelijk helemaal niet scherp af te bakenen en dus is bekering dat ook niet. De zendelingen realiseerden zich dat bekering dus helemaal niet altijd een radicale persoonlijke verandering hoeft te zijn, maar dat het meestal juist een heel geleidelijk proces is, zonder duidelijk begin- en eindpunt. Men is dus niet van het ene op het andere moment christen. Het bleek voor degenen die interesse toonden in het christelijke geloof namelijk veel eenvoudiger om nieuwe ideeën en rituelen aan te nemen, dan om hun oude denkwijzen en tradities volledig op te geven.

Het resultaat van het christelijke bekeringsproces op Java bleek als gevolg hiervan niet overeen te komen met wat de zendelingen zich ervan hadden voorgesteld. Een groot deel van de Javaanse christenen bleef vasthouden aan overtuigingen en tradities die vreemd waren voor de zendelingen. De zendelingen rapporteerden regelmatig met wanhoop dat hun bekeerlingen eigenlijk helemaal geen ‘echte’ christenen genoemd konden worden. Maar op den duur kwam met tot het besef dat het christendom in Java niet precies hetzelfde kon zijn als het christendom in Nederland, en dat het onvermijdelijk was dat bekeerde Javanen een onafhankelijke christelijke identiteit zouden vormen. Religies nemen immers verschillende vormen aan doordat het een plaats krijgt in uiteenlopende culturen. En de zendelingen kwamen uiteindelijk dus tot de conclusie dat ze dus ook hun idee van wat bekering inhoudt moesten bijstellen.

Maryse Kruithof is docent Religiewetenschappen en Islam & Arabisch aan de Universiteit Utrecht. Ze is gespecialiseerd in de Nederlandse zending en missie in de koloniale context.